21 jaar “co-ouderschap”: Wordt dit nu eindelijk volwassen?

Bijna 21 jaar geleden is het co-ouderschap een optie geworden om in het ouderschapsplan (een wettelijk verplicht onderdeel in een scheiding) op te nemen. Of ouders nu wel of niet getrouwd zijn. Veel advocaten, juristen en mediators beschrijven de afspraken die zij maken met betrekking tot de opvoeding en het levensonderhoud van hun kinderen in een paragraaf van het convenant. Bij mij is het ouderschapsplan altijd een apart document, omdat ik de regeling niet een ondergeschoven kindje in een convenant wil laten zijn. De kinderen staan bij mij echt centraal in een eigen document. Ik ga zelfs zo ver dat ik naast de gesprekken die ik de ouders hierover laat voeren, ook een gesprek voer met de kinderen. Het ouderschapsplan gaat immers om hen en daarom wil ik van hen een beeld en informatie hebben die mij in staat stellen hun belangen te kunnen waarborgen. En hoe belangrijk is het dan om hen te hebben gepeild over het co-ouderschap.

*

Scheiden met co-ouderschap bestaat 21 jaar en wat dit inhoudt, wordt nogal eens verward met: ouders die na een scheiding samen de kinderen opvoeden. Het gezamenlijk opvoeden van de kinderen is een feitelijk gevolg van het gezamenlijke gezag over de kinderen. Co-ouderschap is het gevolg van de verdeling van de tijd die de kinderen bij de moeder en de vader doorbrengen en de bevoegdheden die beide ouders behouden, na de scheiding, om beslissingen te nemen over de opvoeding en het levensonderhoud van hun kinderen. Een mooi moment om de balans op te maken: Is co-ouderschap een goede en passende regeling voor een uit elkaar vallend gezin? Is co-ouderschap voor de ouders een uitkomst? Co-ouderschap heeft immers ook invloed op de huurtoeslag, de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget. Endaarvoor geldt dat de kinderen ten minste 3 hele dagen per week in elk van de huishoudens verblijft. Met 3 hele dagen bedoelen de wetgever 3 keer 24 uur per week. Hoe dit in de praktijk is geregeld doet er verder niet toe. Zo zouden de kinderen 8 dagen per twee weken bij de ene ouder kunnen verblijven en 6 bij de andere. Sterker nog: het is zelfs mogelijk om te kiezen voor 16 om 12 dagen per vier weken. Wat niet van toepassing is, is dat de verdeling verplicht 7 om 7 of 14 om 14 dagen is. En dat weten veel ouders niet. Sterker nog: de verdeling hoeft niet eens in aaneengesloten dagen te gebeuren. Nog daargelaten wat dit voor de kinderen zou betekenen. Een regeling waarin de kinderen wekelijks een vaste dag (van 24 uur) en om de week een weekend van vier dagen (4×24 uur) bij de ene ouder en de rest van de tijd bij de andere ouder verblijven, voldoet ook aan de criteria. Sterker nog: de wetgever neemt soms al genoegen met een totale zorgtijd van 72 uur, ongeacht de urenverdeking. En hoe de regeling verder ook is, de wetgever heeft het uitsluitend over gedeeld ouderschap én het aantal uren dat de kinderen verblijft bij de ouders. Het ouderlijk gezag is daarbij overigens geen issue, die blijft bij beide ouders voor de volle 100% van kracht. En daarin zitten vaak de struikelblokken. Want, hoe gaan de ouders daarmee om?

*

Ouderschap deel je, kinderen niet. Of toch? Elk jaar scheiden in Nederland de ouders van ruim 70.000 thuiswonende (doorgaans minderjarige) kinderen. En ik noem hier bewust de relevante leeftijd, want het ouderschapsplan betreft een wettelijke regeling voor minderjarige kinderen. Deze hoeven niet eens thuis te wonen, maar in de regel is dat vaak wel zo. Bovendien kunnen ook jong-volwassen kinderen, kinderen die ouder zijn dan 18 jaar, nog thuis wonen. Het komt, althans bij mij, voor dat ten behoeve van hen ook afspraken worden gemaakt en worden opgenomen in het ouderschapsplan. Ongeveer 20% van de stellen kiest tegenwoordig, na de scheiding, voor het zogenaamde co-ouderschap. En dan wordt de 50/50-regeling bedoeld. In de meeste gevallen kiezen de zij er dan voor om de zorg, de kosten, de opvoeding en de tijd voor de kinderen dus bij helfte te verdelen. De kinderen wonen dan, net als bij de andere verdelingen, in twee huizen en pendelen dan met tassen, broers en/of zussen, in de overeengekomen tijdverdeling heen en weer tussen de woningen van de beide ouders. Het komt echter ook voor dat de ouders om en om in het huis van de kinderen komen wonen. Dus dan slepen de kinderen zichzelf niet heen en weer en hebben zij een vast verblijfsadres. De verdeling is dan een week op en een week af. Het is een veelvoorkomend misverstand dat de verdeling standaard week-om-week dient te zijn. Feit is dat de wetgever de term co-ouderschap niet eens kent, maar wel indicaties geeft over de rechten en plichten die horen bij de één-oudertoeslag. Want bij de juiste regeling kunnen beide hierop aanspraak maken. En daarvoor is geen 50/50-regeling noodzakelijk, zoals al eerder beschreven. Voor deze regeling is het verblijfsadres waarop de kinderen zijn ingeschreven in de Burgelijke Basisadministratie doorslaggevend. Zijn er meerdere kinderen, dan kunnen de ouders van deze regeling gebruikmaken door de inschrijvingen onderling te verdelen, geheel losstaand van de omgangsregeling, wel in de zin van het eerder omschreven co-ouderschap.

*

Het aantal scheidende ouders dat voor co-ouderschap kiest, is de afgelopen eenentwintig jaar gestegen van 5% naar ruim 20%. Co-ouderschap lijkt de beste oplossing voor een uit elkaar vallend gezin. De ouders zijn geen partners meer, maar blijven opvoeders en vooral de gezamenlijk ouders van hun kinderen. Dit benadruk ik ook altijd tijdens de mediationgesprekken met de ouders. De kinderen wonen daarom ook afwisselend bij beide ouders en daarvoor dient een schema te worden opgesteld. Dat is voor het kind ook beter. Zij weten dan waar zij aan toe zijn en de beide ouders kunnen hun verantwoordelijkheden blijven dragen. Alles is beter dan een contactregeling waarin de kinderen slechts bij één ouder wonen, en bij de ander maar af en toe (of helemaal niet). Sterker nog, de wetgever heeft hierin voorzien en draagt de beide ouders op zich in te spannen als het gaat om het in contact blijven met beide ouders. En daarvan zijn ouders zich soms niet bewust (denk daarbij aan de rol van ouders bij ouderverstoting, e.d.).

*

Deskundigen vragen zich echter af of co-ouderschap ook echt goed is voor kinderen, of zelfs beter. Co-ouderschap, in de verdeling can 50/50 is nauwelijks onderzocht. In elk geval niet voor of tijdens de introductie van de wetten en regelingen die co-ouderschap mogelijk maakten.

De eerste lichting kinderen die is grootgebracht door co-ouders is nu volwassen. Ze kunnen terugkijken op hun jeugd, zijn misschien uit huis, hebben zelf liefdesrelaties. Hoe vonden zij het om hun leven te moeten verdelen tussen twee ouders? Hoe was het om in twee huizen te moeten wonen? Om steeds weer afscheid te moeten nemen? Hoe is de band met hun ouders?

Het is niet voor niets dat ik kindgesprekken voer tijdens de scheidingsmediations. Het is niet voor niets dat ik de belangen van de kinderen boven de belangen van de ouders stel. Bij de scheiding gaat het immers om hun toekomst, om waar zij zich het prettigste bij voelen. Kinderen mogen dan weliswaar niet beslissen tot ze 16 jaar zijn, ze mogen wel hun wensen en voorkeuren kenbaar maken. En daar dienen de ouders weldegelijk rekening mee te houden wanneer ze zulke levensbepalende beslissingen nemen voor hun kinderen. En komen zij er gezamenlijk niet uit, dan zal een kinderrechter altijd ten gunste van de kinderen beslissen. En deze gaat niet over een nacht ijs, die laat zich daarbij adviseren door de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdzorg Nederland. Een voor de kinderen ongewenst traject, overigens, en een van de redenen waarom ik de kindgesprekken voer.

*

Aan de Universiteit Utrecht en de VU Amsterdam hebben juristen, pedagogen en sociologen onderzoek gedaan naar het effect van co-ouderschap op kinderen. Een eerste, voorzichtige, conclusie: de juristen zijn minder positief dan de pedagogen. De juristen zien ruziënde ouders, de pedagogen een hechtere band tussen een kind en beide ouders. En dat zijn ook de signalen die als eerste in de media hebben gestaan, kort na de invoering van deze omgangsregeling als optie voor de ouders. Het zijn ook de ruziënde ouders die zich tot mij wenden als een ouderschapsplan bij een advocaat, jurist of collega-mediator, tot die ruzies aanleiding zijn gaan geven. Dan stel ik met hen de ouderschapsplannen bij.

*

Twee wetten hebben de keuze voor co-ouderschap mogelijk gemaakt. In 1998 werd vastgesteld dat het gezag over de kinderen na de scheiding automatisch aan beide ouders toevalt. Voorheen hield één ouder, meestal de moeder, het gezag. En in 2009 werd het opstellen van een ouderschapsplan verplichte kost bij een scheiding. Bij de totstandkoming van de wetten was het vaders tegen de moeders. Gedeeld ouderlijk gezag gaf vaders aanvankelijk slechts papieren rechten. Woonde een kind na de scheiding bij de moeder, dan had de moeder nog allerlei mogelijkheden de vader buiten te sluiten. Hij bleef een tweederangsopvoeder, vooral doordat de kinderen slechts mondjesmaat omgang hadden met de vader. Het waren met name vaderorganisaties die aandrongen op het kind bijna letterlijk te verdelen. Niet in vlees maar in -opvoed-tijd.

En zo kwam in de wet te staan dat beide ouders na een scheiding een gelijkwaardige rol moesten kunnen behouden in de opvoeding. Ouders vatten dat op als een soort modern salomonsoordeel: ieder de helft. Dus moest het kind ook evenveel tijd doorbrengen bij vader als bij moeder. De Hoge Raad oordeelde anders, in 2010. Gelijkwaardig ouderschap hoeft niet gelijkheid in tijd te betekenen, maar in ‘waarde’. Hoe die gelijkwaardigheid dan moet worden ingevuld, is niet vastgelegd. Ouders moeten dat naar eigen inzicht overeenkomen en hun afspraken vastleggen. En dat gaat niet altijd even goed, heeft de praktijk daarna overduidelijk uitgewezen. In 2015 heeft een promovenda bij rechtbanken echtscheidingsdossiers opgevraagd van voor en na de invoering van het ouderschapsplan. Wat blijkt: “Er is niet minder ruzie. Ook door ouders zelf gemaakte afspraken worden niet nageleefd.” En ouders onttrekken zich nog vaker aan hun wettelijke verplichting om de banden tussen hun kinderen en de andere ouder in stand te houden.

Voor ouders lijkt co-ouderschap een uitkomst. Dat blijkt onder meer uit Australische en Zweedse studies. Vaders hebben evenveel rechten als de moeder, moeders evenveel vrijheid als voorheen de vader. Het heeft een emancipatoir effect. Moeders kunnen hun kinderloze dagen besteden aan studie, werk of een nieuwe partner. Maar de onderzoeken duiden ook: Het perspectief van het kind is uit het oog verloren. Er wordt geschermd met het belang van het kind. Maar of co-ouderschap voor het kind de beste optie is, en wat daarvoor dan de voorwaarden zijn, dat moet nog worden onderzocht. En daarom vertegenwoordig ik de kinderen als de ouders het ouderschapsplan opstellen. Ik weet welke belangen bij de kinderen belangrijk zijn en ik zet de ouders in hun positie van ouders. Het ouderschap is van belang, niet hun eigen individuele behoeften en belangen.

*

Voor veel kinderen is co-ouderschap geen succes. Zij voelden zich nergens thuis door het constant heen en weer moeten reizen tussen de woningen van hun ouders. Sommige kinderen kiezen er dan zelf voor om bij een van de ouders te gaan wonen en de ander tussendoor te bezoeken. Andere kinderen blijven het heen en weer reizen doen, ook als ze het op en neer reizen zat zijn. Kiezen voor één huis wordt ervaren als de keuze maken vóór één ouder en tegen de ander. En dat willen kinderen niet. Vaak speelt loyaliteit naar broertjes en zusjes een beïnvloedende rol en valt het niet mee om in het eigen belang te denken.

De ‘tweehuizenconstructie’ is de minst stabiele van alle scheidingsvormen. Die conclusie trekken socioloog Anne-Rigt Poortman (Universiteit Utrecht) en Ruben van Gaalen (CBS) in hun onderzoek uit 2017, Shared residence after separation . „Co-ouderschap vergt veel coördinatie en coöperatie. Eenvijfde van de co-ouderende ouders in Nederland stopt ermee binnen twee jaar.” De kinderen gaan daarna meestal naar de moeder. En dan zijn we weer bij de klassieke constructie, waarvoor nog altijd 70 procent van de ex-stellen kiest: moeder heeft de kinderen, vader een omgangsregeling of staat geheel buitenspel.

*

De onderzoekers zien ook dat co-ouderschap is voorbehouden aan een select groepje ouders: autochtoon, hogeropgeleid, met voldoende financiële middelen en weinig (persoonlijke) problemen en onderlinge conflicten. Moeders met een betaalde baan, vaders die voor de scheiding al een actieve vaderrol hadden.

Co-ouderschap is geen Nederlandse uitvinding; het is mogelijk in onder meer Canada, België, Australië, Noorwegen, Zweden, Frankrijk. In Europa is het een trend. En ook in de VS is het een vaker gekozen optie, schrijft onderzoeker Linda Nielsen van Wake Forest University in North Carolina. Zij heeft veertig wereldwijde studies over het welzijn van kinderen na scheiding vergeleken.

Zij ziet in al die veertig studies overwegend positieve effecten: kinderen in co-ouderschap doen het beter dan kinderen die bij één van de ouders wonen (meestal de moeder). Het voordeel van wonen bij twee ouders weegt op tegen het nadeel van leven in twee huizen. Kinderen zijn tevredener over hun leven, halen hogere cijfers op school en voelen zich minder somber dan kinderen die vooral bij hun moeder wonen. Er is alleen één maar bij al deze uitkomsten: alle vragen over het kinderwelzijn zijn beantwoord door ouders, niet door kinderen.

De Nederlandse kinderombudsman sprak wél met kinderen en schreef in 2013 in het rapport Kind in de knel: “Co-ouderschap heeft voordelen, maar is niet altijd de beste oplossing voor het kind.” Kinderen uit co-oudergezinnen kennen meer verdrietige gevoelens dan andere kinderen van gescheiden ouders. En vaker dan andere kinderen hopen ze op hereniging van hun ouders.

Dat hoort onderzoeker Inge van der Valk (Universiteit Utrecht) veel kinderen van gescheiden ouders zeggen. Zij doet sinds 1999 onderzoek naar gezinsrelaties na een scheiding. “Dat gevoel van gemis hebben kinderen ook als ze bij één ouder wonen. Co-ouders kunnen afspreken het kind elke dag te laten skypen met de andere ouder. Als de sfeer tussen ouders goed is, voelt een kind zich vrij om bij de één te zeggen dat het de andere ouder mist.”

De vergeten schoolboeken, sporttas, kleren; onduidelijkheid over wanneer er van huis gewisseld moet worden; nergens echt ‘thuis’ zijn. Op het forum van Villa Pinedo, waar kinderen van gescheiden ouders ervaringen uitwisselen, zijn dit de meest gedeelde klachten over het wonen bij twee ouders. Uit Australisch onderzoek blijkt ook dat kinderen flexibel zijn en opvallend snel aan hun nieuwe leven wennen.

*

En dan zijn er de ouders die, na de scheiding, onderling niet meer goed met elkaar kunnen omgaan. Dan is opvoeden moeilijk, Als je samen opvoedt, is het heel lastig om de problemen die je onderling hebt niet te laten doorsijpelen in het contact over het kind. De voorwaarde om co-ouderschap te laten slagen is dat ouders goed met elkaar omgaan. Ze moeten elkaar immers op de hoogte houden van alle ontwikkelingen rond het kind en belangrijke beslissingen samen nemen. Wat ook van toepassing is bij andere regelingen. En, als het even kan, ook de opvoedregels enigszins op elkaar afstemmen. Ik besteed daar aandacht aan tijdens de scheidingsmediation, ook als de onderlinge relatie goed is. “Je weet maar nooit wat de toekomst nog zal brengen. Je kunt iemand weliswaar niet meer als partner willen, maar dat verandert niets aan het feit dat je samen de ouders blijft van de kinderen. En daarvoor dragen jullie gezamenlijk de verantwoording. Uiteindelijk hebben jullie ze samen op de wereld gezet”, zijn dan vaak mijn woorden naar de ouders.

*

Andere belangrijke voorwaarden voor het slagen van elke omgangsregeling zijn, naast een goede relatie tussen beide ouders, weinig afstand tussen de twee huizen (en de school). De budgetvoorlichters van het Nibud waarschuwen dat de gedeelde zorg voor de kinderen moeilijk te combineren kan zijn met werk, en dus inkomensverlies kan betekenen. Ouders, zegt het Nibud, moeten draagkrachtig genoeg zijn om de kosten van twee huizen, twee vakanties en de dubbele aanschaf van spullen op te kunnen brengen.

Als co-ouderschap lukt, dan zijn er veel voordelen voor de kinderen. Ze kunnen met beide ouders een goede band opbouwen, wat met een ‘weekend-ouder’ bijna onmogelijk is. En de kinderen hebben minder kans op een loyaliteitsconflict. Als co-ouderschap mislukt, dan ligt de grondslag daarvan vaak aan conflicten tussen de ouders. Om samen op te voeden, moeten ze meer overleggen dan dat ze misschien aankunnen.

Onderzoekers Poortman en Van Gaalen zien co-ouderschap stranden op praktische zaken: geld, werk, woonsituatie. En een belangrijke oorzaak van mislukking: het kind zelf. Jonge kinderen hebben te veel last van het telkens missen van een ouder, oudere kinderen (middelbare school) vinden het wisselen van huis te veel gedoe.

*

Al met al is het maken van afspraken voor veel ouders een hele toer. Moeders die hun kinderen moeilijk los kunnen laten of nog kunnen delen met de vaders van hun kinderen. En aan de andere kant vaders die bang zijn om hun kinderen te verliezen, omdat ze bang zijn dat de moeders hun kinderen bij hen vandaan zullen gaan houden. Emotionele drogredenen om omgangsregelingen te chanteren. Redenen om vooral vanuit de eigen belangen aan het ouderschapsplan te werken. En ik zit daar dan tussen: ik ben dan hun kinderen en vraag aan hen in hoeverre zij dan denken dat zij in mijn belang met elkaar in gesprek zijn. Mama en papa zijn dan weer Toos en Piet (of hoe zij ook mogen heten). En dat werkt, want ik (als mediator) heb verder geen belangen. Die hebben de kinderen.

*

Copyright©️oncies 2019

*

Concies’ Blogs is een produkt van CONCIES mediation / relatiebemiddeling / onderwijsdiensten

Meer informatie over mij nodig? Kijk op http://www.concies.nl

Over CONCIES | mediation | relatietherapie | onderwijsdiensten

Toen ik de overstap maakte van het onderwijs (MBO/HBO/Master) naar mediation, keerde ik terug naar mijn roots, mijn persoonlijke ‘zijn’, in het werk dat bij mij hoort. Ik ben een mens die mediation van nature in zich heeft en geen gebruik maakt van aangeleerde trucjes of gedragingen. En als ik terugkijk op mijn leven, dan heb ik ook altijd wel die rol vervuld. Natuurlijk kan ook ik goed ruzie maken. En ook daarbij ben ik altijd op zoek naar een oplossing die voor de ander en mij het beste is. Tijdens mijn werk als mediator ben ik, als vanzelf, steeds vaker ook relatietherapieën gaan doen. Dat doe ik de laatste jaren zelfs meer dan mediation (gemiddeld 35 per jaar). En alle mensen, nou ja alle, laat ik zeggen: ruim 99,5% van mijn cliënten is enthousiast en 97,5% is zeer tevreden over mijn werk voor hen. En daar gaat het uiteindelijk om. Ik ben een MfN-Registermediator, was een rechtbankmediator, en werkte op basis van toevoeging (vaak op verzoek van het Juridisch Loket). Maar de baten dekten niet langer de kosten. Tja, en ook mijn brood smaakt beter met een laagje boter en beleg. Vanuit mijn psychologie- (HBO) en psychiatrie-achtergrond (werkervaring en langdurig les geven), ben ik breed inzetbaar en deskundig op het gebied van de DSM-5 (o.a. autisme, ADHD, ADD, PDD-NOS, persoonlijkheidsstoornissen). Bovendien heb ik post-HBO neurologie gestudeerd. Ik heb de Master Mediation afgerond en ben in de volgende werkvelden van mediation werkzaam/gespecialiseerd: > FAMILIEMEDIATOR (MfN) > ARBEIDSMEDIATOR (MfN) Kortom, u kunt mij benaderen voor de volgende mediations: - FAMILIE/SCHEIDING - ARBEIDGERELATEERDE ZAKEN - GEZONDHEIDGERELATEERDE ZAKEN - JEUGDZORG - ONDERWIJS - EXPAT Naast als mediator ben ik ook werkzaam als relatietherapeut. Als relatietherapeut help ik stellen hun relatie te herstellen of helder te krijgen hoe de toekomst van hun relatie er uit ziet. Daarbij maak ik gebruik van onder meer Transactionele Analyse, systeemtherapie, gedragstherapie en mijn deskundigheid op het gebied van de DSM-5, de anatomie/fysiologie, pathologie, psychiatrie, psychologie en sociologie. Ik heb er niet voor niets jarenlang les in gegeven. Met enige regelmaat draag ik, als deskundige op het gebied van mediation en relatietherapie, bij aan radioprogramma's van BNR-nieuwsradio en (sinds 2016) RTVNH. Erg leuk om te doen. Goede voorlichting kan nooit kwaad. Nieuwsgierig naar meer informatie? Ga dan naar mijn website: www.concies.nl Mijn levensmotto: Wat niet gezegd wordt, bestaat niet.
Dit bericht werd geplaatst in Affectieve relatie, Afscheid, Alimentatie, Alledaags, Angst, Belangen, Belangenbehartiging, Bemiddeling, Co-ouderschap, Combinatiekorting, Communicatie, Complexe echtscheiding, Complexe scheiding, conflict, convenant, echtscheiding, echtscheidingsmediation, Eenoudergezin, Expertise, Familie, Familieleed, Familierecht, Fiscaal voordeel, Geloofsovertuiging, Gezin, Huurtoeslag, Informatieplicht, Inkomensafhankelijk toeslag, Inspanningsverplichting, Jeugdbescherming, Jeugdzorg, kinderbelangen, Kinderen, Kindgebonden budget, Normen en waarden, Onderhandelingen, Onttrekken aan ouderlijk gezag, Ouderlijk gezag, Ouders, ouderschapsplan, Respect, Samengesteld gezin, samenlevingsovereenkomst, samenwonen, Scheiden, scheiding, Toeslag kinderopvang, Toeslagen, Uncategorized, vechtscheiding, Waarden en normen, Zorgplicht, Zorgtoeslag en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s