BIG II, wat kunnen we er mee?

Afgelopen dagen heb ik mij wat verdiept in de consequenties van de invoering van de herziene Wet-BIG, de zogenaamde BIG II (2). En ik kan mij de reacties van de huidige generatie verpleegkundigen goed voorstellen. Maar ik kan mij de beweegredenen voor het bijstellen van de wet ook voorstellen. Misschien kan ik een bijdrage leveren in de discussie. Ik ben dan wel inmiddels al tien jaar niet meer werkzaam in het gezondheidszorgonderwijs, ik heb het wel 25 jaar gedaan en was daarvoor een min of meer huisopgeleide verpleegkundige. Min of meer, omdat ik toen al naar een van de eerste centrale scholen ging. Het werd nog wel de inservice-opleiding genoemd. Maar misschien ben ik ondertussen te lang uit het vak en heb ik onvoldoende zicht op de huidige stand van zaken.

En toch doe ik een poging.

*

In de huidige wet-BIG wordt beschreven hoe een verpleegkundige handelings- en beslissingsbekwaam dient te zijn met betrekking tot de bevoegdheden die zij krijgt voor het uitvoeren van medische handelingen. Het gaat hierbij om de benodigde deskundigheid en vaardigheid (en attitude) ten aanzien van bijvoorbeeld injecteren en het verzorgen van een infuus. En dat is wat anders dan intraveneus injecteren of het aanbrengen van een infuus, want daarvoor dient een verpleegkundige een applicatiecursus te hebben gevolgd. En dat soort cursussen worden niet centraal gemeten op kwaliteit en deugdzaamheid. Ook het meten van de bloeddruk is voorbeeld van een medische handeling.

De herziene wet (BIG II) gaat echter over iets geheel anders, namelijk het stellen van de verpleegkundige diagnose. En dat is 0,0% medisch handelen, dat is verpleegkundig handelen. Bovendien een handelen dat de basis vormt voor wat er vervolgens nodig is om uit te voeren in het vakgebied van de verpleegkundige. Het stellen van de verpleegkundige diagnose leidt tot het opstellen van het verpleegkundige behandelplan (het verpleegplan) en dat is heel iets anders dan het medisch behandelplan. De wet-BIG heeft hierin, tot nu toe tenminste, niet voorzien en het is de vraag of dit ook als zodanig op zijn plaats is. Want, het opstellen van het verpleegkundig behandelplan is een exclusieve taak van de verpleegkundige. Iets dat gemakkelijker kan worden gezegd dan gedaan.

En daar zit het eerste knelpunt in deze hele kwestie. Voor het overgrote deel van de verpleegkundigen die tot nu toe zijn opgeleid, is het opstellen van een verpleegkundig behandelplan een worsteling. En dat begint al bij het stellen van de verpleegkundige diagnose. Het kunnen denken en handelen op dit abstractieniveau valt menig huis- of MBO-opgeleide verpleegkundige zwaar. En ik zeg dit niet zomaar. Ik heb er les in gegeven en gezien hoe mijn studenten hiermee worstelden. Om het de verpleegkundige gemakkelijker te maken, hebben organisaties complete protocollaire behandelplannen laten opstellen. De verpleegkundige hoeft alleen maar de diagnose in te vullen, althans haar veronderstelde diagnose op te zoeken in een handboek, en er komt al een behandelplan uitrollen. En dat kunnen veel verpleegkundigen niet. Ze denken vaak medisch in plaats van verpleegkundig. En dat is nu net niet hun taak, maar de taak van de arts. De medische situatie van de zorgvrager (patiënt) is echter wel vaak de oorzaak waardoor het zelfzorgprobleem, want dat leidt tot de verpleegkundige diagnose, is ontstaan. Het gedeeltelijke of volledige onvermogen tot het verlenen van zelfzorg leidt immers tot een zelfzorgtekort en dit wordt dan op zijn beurt gedeeltelijk of volledig overgenomen door de verpleegkundige. Echter altijd met als doel (het zorgdoel dat gekoppeld is aan de verpleegkundige diagnose) dat de zorgvrager deze zelfzorghandelingen weer zelf, zelfstandig en onafhankelijk uitvoert. De weg naar deze zelfstandigheid en onafhankelijkheid wordt beschreven in het verpleegplan.

Het klinkt heel simpel, maar het gros van de (in de toekomst bestempelde) ‘gewone’ verpleegkundigen heeft hier moeite mee, waardoor er op papier (feitelijk) niet veel van terecht komt. Het gegeven dat ik hier spreek van het gros van de ‘gewone’ verpleegkundigen duidt er al op dat er ook uitzonderingen zijn, maar die zijn in mindertal. En dan komt de HBO-opgeleide verpleegkundige in beeld. De vrouwen en mannen die het vak van verpleegkundige met de focus op een zeer theoretisch model hebben geleerd en bestudeerd. De theoretischer ingestelde verpleegkundigen, met een heel ander denkniveau. Zij zijn (doorgaans) zeer vaardig om het verpleegkundig handelen in een theoretisch model te plaatsen, maar missen (zeker in de ogen van de juist sterk praktisch opgeleide en ingestelde ‘gewone’ verpleegkundigen) de praktische vaardigheden en -inzichten om te kunnen bepalen welke verpleegkundige handelingen kunnen worden ingezet om de verpleegkundige doelen te bereiken. Althans….wanneer zij aan hun loopbaan beginnen. Door hun andere denkniveau kunnen zij die achterstand in verpleegkundige vaardigheden en inzichten doorgaans snel inhalen. En dan veranderen die jonkies snel in volwaardige en gewaardeerde collega’s.

Het tweede knelpunt is de weerstand tegen de HBO-opgeleide verpleegkundigen. Die bestaat al vanaf het begin dat de HBO-v is ingevoerd. Tegen de wetenschappelijk opgeleide verpleegkundige, de verplegingswetenschapper, bestaat er geen weerstand. Ook al is dat ook een verpleegkundige. Deze groep wordt immers niet ingezet in het primaire proces. Zij behoren niet tot de verpleegkundige discipline die voor de handen aan het bed zorgen. Zij zitten vaak een echelon hoger in de keten en zijn beleidsmakers. Dat er vanuit het HBO behoefte is ontstaan om het opleidingsniveau in het werkveld meer tot uitdrukking te laten komen is dan ook niet vreemd. Maar het proces loopt hier vast, want in de gezondheidszorg heeft de overheid op enig moment het functiewaarderingssysteem (FWG) ingevoerd. Een model waaraan een verdienmodel is gekoppeld, zowel voor de individuele verpleegkundige als voor de zorginstellingen. Aan de hand van wat de beroepsbeoefenaar in het praktijkveld aan verpleegkundige handelingen concreet uitvoert, wordt de hoogte van de salarisschaal bepaald. En daarin wordt dus niet het opleidingsniveau als uitgangspunt genomen, puur de mate waarin de individuele verpleegkundige verpleegkundig handelt en daartoe bevoegd en bekwaam is verklaard door middel van het behaalde diploma. En dit systeem heeft ernstig gefaald. Of beter gezegd: Het FWG-systeem heeft nagelaten om de deskundigheden en vaardigheden van de individuele verpleegkundige concreet te meten. En dat kwam de werkgevers maar wat goed uit. In plaats van individueel te meten, werden alle verpleegkundigen op dezelfde hoop gegooid. Netter gezegd: Alle verpleegkundigen hadden dezelfde bevoegd- en bekwaamheden en voerden allemaal hetzelfde werk uit. Voor de MBO-opgeleide verpleegkundigen een zegen, voor de HBO-opgeleide verpleegkundigen een plaag.

En dat was ook hun eigen schuld. De HBO-er ging akkoord met zijn functieschaal en liet zich niet horen als het ging om het onderscheid en de differentiatie. Zij voerden immers dezelfde verpleegkundige handelingen aan het bed uit. De praktijkgerichte verpleegkundige won het van de theoretisch ingestelde verpleegkundige, maar ontwikkelde zich wel in de loop der jaren tot de verpleegkundig practitioner, de supergespecialiseerde verpleegkundige. De groep verpleegkundigen die doorgingen met studeren en bekwamen in het vak. Een relatief kleine groep, want het leeuwendeel van de (ook HBO-opgeleide) verpleegkundigen bleef het bij de basisopleiding houden, deed elke dag het werk dat gedaan moest worden en bekommerde zich nauwelijks om het op peil houden van de steeds weer veranderende verpleegkundige behandelmethoden. Zij draaiden routinematig hun uurtjes op de afdeling.

En dat is waarschijnlijk steeds meer een doorn in het oog van de HBO-opgeleide verpleegkundigen geworden. Tellen we daar het gebrekkige vermogen tot het opstellen van een verpleegplan, niet in de laatste plaats door het niet kunnen formuleren van de verpleegkundige diagnose, bij op, dan is het niet vreemd dat er een lobby is ontstaan om hier wat aan te gaan doen. Bovendien is de tijd er rijp voor. Het oplopende personeelstekort in de zorg is een vruchtbare bodem om salariseisen te stellen. En dan heb ik het niet over het maken van een inhaalslag vanwege het achterblijven van de salarissen in de zorg ten aanzien van de vrije markt, maar wel over het effect dat schaarste nu eenmaal met zich meebrengt. En in die schaarste kan de HBO-opgeleide verpleegkundige zich eindelijk profileren en differentiëren. Ze kunnen zich losmaken van het billen-wassen-en-de-po-geven-imago van de gewone verpleegkundige. En dus een bijzondere verpleegkundige met een eigen (hogere) salarisschaal worden. En deze uitweg wordt hun nu geboden door middel van de BIG II.

*

En dan komt er een beweging op gang onder de ‘gewone’ verpleegkundigen. Voor een deel terecht. Namelijk voor hen die zich hebben ontwikkeld tot specialisten, practitioners. Maar voor het overgrote deel onterecht. Het klinkt hard, maar voor het gros van de verpleegkundigen die aan het bed staan geldt dat zij maar ‘gewone’ verpleegkundigen zijn. Vrouwen en mannen die elke dag hun werk komen doen. Werk dat zij graag en zo goed als mogelijk uitvoeren. Maar ook niet meer dan dat. Zij maken liever geen (eigen) tijd vrij om zich verder te verdiepen in hun vak, de theorie, het feitelijke op peil houden van deskundigheid en vaardigheid. Zij trekken na hun dienst de deur achter zich dicht en bekommeren zich over andere, even zo belangrijke of nog belangrijkere, zaken. Zij hebben niet de behoefte of drijfveer om in hun eigen tijd zich nader te verdiepen in hun werk of vakgebied. Zij komen niet terug voor een klinische les (worden ze nog wel gegeven, want er komt toch zelden iemand opdagen en de aanwezige verpleegkundigen hebben het al druk genoeg op de afdeling) of een teamvergadering. En dat is hun goed recht, want het uitvoeren van het reguliere werk trekt al genoeg zijn wissel.

*

Wil de wet BIG II daadwerkelijk iets veranderen in verpleegkundeland (en dan zijn de verzorgende-IG nog niet eens meegenomen in deze besluitvorming), dan zal men het over een andere boeg dienen te gooien. Niet het instellen van een regieverpleegkundige maakt het onderscheid, maar het invoeren van een -voor iedere verpleegkundige haalbare- status biedt mogelijkheden. In mijn blog van afgelopen vrijdag (16 augustus jl.) brak ik al een lans voor het invoeren van de titel Registerverpleegkundige. Een titel die een verpleegkundige mag gaan dragen wanneer deze voldoet aan een aantal concrete criteria. Criteria op deskundigheidsniveau én criteria op het gebied van vaardigheden. Eigenlijk heb ik het dan over concrete competenties. Meetbaar en zichtbaar. En zolang de verpleegkundige hieraan niet voldoet, draagt de verpleegkundige de toevoeging aspirant. Dan maakt het niets meer uit van welke opleiding de verpleegkundige afstudeert, het voldoen aan de beroepseisen is dan bepalend. De kans om meteen Registerverpleegkundige te worden na de opleiding, is het grootst voor de HBO-opgeleide verpleegkundige. Al is het maar omdat deze nu eenmaal in staat is om een verpleegkundige diagnose te stellen, doordat het theoretische model het (abstractie-)model van de HBO-er is. En uiteraard zijn hier financiële gevolgen aan verbonden. Twee aspecten (titel en salaris) die de Aspirant-registerverpleegkundige kunnen prikkelen om door te studeren en de titel Registerverpleegkundige oplevert.

Tot slot: Stel ook het onderhouden van de deskundigheid en vaardigheden in. Dat kan door middel van het invoeren van PE-punten. Punten voor Permanente Educatie (bij-, na- of omscholing naar een andere specialisme). En biedt dit in de breedste zin aan. Zet programma’s op die certificaten opleveren, waaraan punten zijn toegekend. En realiseer je nu alvast wat voor een enorme taak staat te wachten om dit te implementeren, want de punten alleen al toekennen aan certificaten vraagt om een deskundige en kritische beroepsorganisatie, maar is zeker haalbaar, betaalbaar én vooral mogelijk.

*

Copyright©️oncies 2019

*

Concies’ Blogs is een produktie onder redactie van CONCIES mediation | relatiebemiddeling | onderwijsdiensten.

Hulp nodig? Kijk op http://www.concies.nl of ik iets voor u kan betekenen.

Over CONCIES | mediation | relatietherapie | onderwijsdiensten

Toen ik de overstap maakte van het onderwijs (MBO/HBO/Master) naar mediation, keerde ik terug naar mijn roots, mijn persoonlijke ‘zijn’, in het werk dat bij mij hoort. Ik ben een mens die mediation van nature in zich heeft en geen gebruik maakt van aangeleerde trucjes of gedragingen. En als ik terugkijk op mijn leven, dan heb ik ook altijd wel die rol vervuld. Natuurlijk kan ook ik goed ruzie maken. En ook daarbij ben ik altijd op zoek naar een oplossing die voor de ander en mij het beste is. Tijdens mijn werk als mediator ben ik, als vanzelf, steeds vaker ook relatietherapieën gaan doen. Dat doe ik de laatste jaren zelfs meer dan mediation (gemiddeld 35 per jaar). En alle mensen, nou ja alle, laat ik zeggen: ruim 99,5% van mijn cliënten is enthousiast en 97,5% is zeer tevreden over mijn werk voor hen. En daar gaat het uiteindelijk om. Ik ben een MfN-Registermediator, was een rechtbankmediator, en werkte op basis van toevoeging (vaak op verzoek van het Juridisch Loket). Maar de baten dekten niet langer de kosten. Tja, en ook mijn brood smaakt beter met een laagje boter en beleg. Vanuit mijn psychologie- (HBO) en psychiatrie-achtergrond (werkervaring en langdurig les geven), ben ik breed inzetbaar en deskundig op het gebied van de DSM-5 (o.a. autisme, ADHD, ADD, PDD-NOS, persoonlijkheidsstoornissen). Bovendien heb ik post-HBO neurologie gestudeerd. Ik heb de Master Mediation afgerond en ben in de volgende werkvelden van mediation werkzaam/gespecialiseerd: > FAMILIEMEDIATOR (MfN) > ARBEIDSMEDIATOR (MfN) Kortom, u kunt mij benaderen voor de volgende mediations: - FAMILIE/SCHEIDING - ARBEIDGERELATEERDE ZAKEN - GEZONDHEIDGERELATEERDE ZAKEN - JEUGDZORG - ONDERWIJS - EXPAT Naast als mediator ben ik ook werkzaam als relatietherapeut. Als relatietherapeut help ik stellen hun relatie te herstellen of helder te krijgen hoe de toekomst van hun relatie er uit ziet. Daarbij maak ik gebruik van onder meer Transactionele Analyse, systeemtherapie, gedragstherapie en mijn deskundigheid op het gebied van de DSM-5, de anatomie/fysiologie, pathologie, psychiatrie, psychologie en sociologie. Ik heb er niet voor niets jarenlang les in gegeven. Met enige regelmaat draag ik, als deskundige op het gebied van mediation en relatietherapie, bij aan radioprogramma's van BNR-nieuwsradio en (sinds 2016) RTVNH. Erg leuk om te doen. Goede voorlichting kan nooit kwaad. Nieuwsgierig naar meer informatie? Ga dan naar mijn website: www.concies.nl Mijn levensmotto: Wat niet gezegd wordt, bestaat niet.
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s